“Er worden signalen afgegeven dat het heel slecht gaat, maar als wetenschapper vind ik dat weinig solide.” Ecoloog Jaap van der Meer zette woensdag in een Kamercommissie vraagtekens bij de wetenschappelijke basis van het natuurbeleid voor de Waddenzee.
De hoogleraar visserijecologie aan Wageningen University & Research – sinds drie weken met emeritaat – stelt dat de overheid in het beleid voor de Waddenzee en Noordzee te zwaar leunt op ecologische indicatoren die onvoldoende wetenschappelijk zijn getoetst.
Tijdens een rondetafelgesprek van de Kamercommissie Landbouw, Natuur & Voedselkwaliteit (LNV) uitte hij kritiek op de rapporten over de “slechte staat” van visbestanden en bodemleven. Die geven volgens hem regelmatig een vertekend beeld.
De Ecologische Autoriteit stelde vorige maand nog dat de natuur in het Waddengebied “in zorgwekkende staat” verkeert en dat wettelijke natuurdoelen buiten bereik blijven, tenzij ingrijpende maatregelen worden genomen.
Historische piekwaarden als referentie
Een van de onderzoeken waar de Ecologische Autoriteit zich op beroept, is het rapport “Staat van de Waddenzee” van de Waddenacademie, dat concludeert dat vijftien van de zestien onderzochte vissoorten slechter scoren dan de afgesproken norm.

Volgens Van der Meer ligt het probleem vooral in de gebruikte meetmethode. “Men neemt veertig jaar meetgegevens en kiest vervolgens het hoogste punt uit die hele reeks als norm”, zei hij tegen Kamerleden. “Maar soorten schommelen van nature sterk van jaar tot jaar. Dan is de kans natuurlijk heel klein dat juist het laatste meetjaar dat maximum haalt.”
Daardoor ontstaat volgens hem ook bij stabiele of stijgende populaties al snel een negatief beeld. “Dat zegt dan eigenlijk weinig over hoe het werkelijk gaat.”
Ook de beoordeling van het bodemleven met de zogenoemde BISI-methodiek is volgens hem problematisch. Deze index voor de ecologische kwaliteit van bodemdieren gebruikt eveneens historische piekwaarden als referentie, waardoor de uitkomst volgens hem bijna automatisch “ongunstig” wordt.
“Vanuit de overheid worden signalen afgegeven dat het heel slecht gaat met het bodemleven. Maar ik als wetenschapper vind dat heel weinig solide”, vatte hij samen.
Blind varen op particulier bureau
De emeritus hoogleraar zei bovendien dat de methode nooit degelijk wetenschappelijk is gevalideerd in internationale vakliteratuur. Toch wordt zij volop gebruikt in beleidsrapporten, natuurdoelen en juridische procedures.

Hij wees op eerdere Kamervragen van de BBB over het gesloten natuurgebied bij Rottum, waarin kritiek werd geuit op de BISI-methodiek en de gebruikte referentiewaarden. De minister reageerde daarop volgens Van der Meer “een beetje met een kluitje in het riet”.
Aanleiding voor de vragen was een tussenrapportage waaruit bleek dat na achttien jaar gebiedssluiting geen aantoonbaar effect was vastgesteld op soortenrijkdom en diversiteit van bodemdieren.
Van der Meer stelt dat de overheid te lang “blind heeft gevaren” op onderzoeken van een particulier bureau, zonder de gebruikte methodiek breed wetenschappelijk te laten toetsen. “Die discussie had veel eerder gevoerd moeten worden”, zei hij.
Inmiddels lopen gesprekken tussen Wageningse onderzoekers, ambtenaren en de internationale zeeonderzoeksorganisatie ICES over een onafhankelijke evaluatie van de methode.
Goed visserijbeheer is effectiever
Van der Meer benadrukte dat hij niet ontkent dat visserij effecten heeft op natuur. Wel vindt hij dat gebiedssluitingen alleen zinvol zijn als vooraf duidelijk is welk ecologisch doel ermee wordt nagestreefd.
“Waar doe je het precies voor? Welke soorten wil je herstellen? En heeft dat in zo’n gebied ook echt kans van slagen?”
Volgens hem is goed visserijbeheer vaak effectiever dan het afsluiten van grote gebieden. Als voorbeeld noemde hij de westelijke Waddenzee, waar het grootste deel van de garnalenvisserij buiten de kwetsbare zones plaatsvindt. “Dan moet je toch tot een compromis kunnen komen, met beperkte gevolgen voor de visserij en winst voor natuurherstel.”

Tegelijk waarschuwde hij dat sluitingen alleen effect hebben als ze langdurig en consequent worden doorgevoerd. “In het verleden werd een gebied gesloten, daarna weer geopend, dan opnieuw aangepast. Zo’n lappendeken maakt ook onderzoek naar effecten bijna onmogelijk.”
Over de toestand van de Waddenzee zei Van der Meer dat sommige problemen uit het verleden juist herstel laten zien. Zo wees hij op mosselbanken die in de jaren negentig sterk achteruitgingen door een combinatie van visserij, stormen en slechte broedval, maar inmiddels weer zijn teruggekeerd.
“Het gaat mij er als wetenschapper vooral om dat we ons baseren op goede feiten”, aldus Van der Meer.
Nieuwe Natura2000-beheerplannen
Tijdens het rondetafelgesprek over de toekomst van de Nederlandse visserij spraken woensdag ook vertegenwoordigers van natuurorganisaties en de visserijsector zelf, waaronder Stichting De Noordzee, het Wereld Natuur Fonds, ProSea Marine Education, de Vissersbond en visser Dirk Kraak.

Die gesprekken stonden niet op zichzelf, maar dienen ter voorbereiding op verdere politieke behandeling van het visserij- en natuurbeleid. Zo zijn er nieuwe Natura2000-beheerplannen in de maak voor de Waddenzee en Noordzeekustzone, waarin natuurdoelen en beheermaatregelen opnieuw worden vastgelegd.
In het Waddengebied leidt dat tot onrust over mogelijke gebiedssluitingen, al benadrukken betrokken instanties dat de plannen nog in voorbereiding zijn en er nog niets definitief is besloten.